Standpunten

Mobiliteit

Elektrisch rijden

Elektrisch rijden is het duurzame antwoord op de auto met een verbrandingsmotor die op benzine of diesel rijdt. De technologie van elektrische auto’s is geavanceerd. Naast het ontbreken van uitstoot aan de uitlaat is een elektrische auto ook veel efficiënter in zijn energieverbruik. De auto vergt veel minder onderhoud, omdat de motor bijna geen bewegende delen heeft en over een regeneratief remsysteem beschikt. De accu gaat zeker 10 jaar mee. De grootste klimaatwinst is natuurlijk te behalen als elektrische auto’s op duurzame stroom rijden. Maar zelfs zonder schone stroom is een elektrische auto beter voor het klimaat dan een fossiele auto.

Elektrische auto’s zijn in het gebruik soms al goedkoper dan fossiele auto’s, maar vanwege de hogere aanschafprijs en de lage beschikbaarheid hebben elektrische auto’s de komende tijd nog wel een financiële en fiscale investering nodig van de overheid. Wij scharen ons achter het doel uit het Klimaatakkoord: 100% nieuw verkoop van elektrische auto’s in 2030.

Laadpalen

Niet iedereen kan thuis een laadpunt installeren voor een elektrische auto. Daarom moeten er voldoende openbare laadpunten komen met eenvoudige, goed toegankelijke informatie. Zo moet het duidelijk zijn voor bestuurders waar de laadpunten staan, of ze beschikbaar zijn en wat de laadtarieven zijn.

Laadinfrastructuur moet daarnaast toekomstbestendig zijn. Dat betekent dat de laadpalen slim moeten zijn en energie terugladen van de auto naar het elektriciteitsnet. Elektrische auto’s kunnen zo bijdragen aan het elektriciteitsnet als er tijdelijk wat minder zonne- of windenergie voor handen is.

In de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) staat beschreven wat gemeenten en provincies de komende jaren moeten doen om voldoende laadinfrastructuur te plaatsen in de openbare ruimte.

Biobrandstoffen

De term ‘biobrandstof’ heeft een klimaatvriendelijke bijklank, maar er kleven belangrijke nadelen aan. Om de klimaatdoelen te halen, willen wij dan ook dat we voor wegvervoer inzetten op elektrische (bestel-)auto’s en vrachtwagens, de productie van efficiënte voertuigen en minder kilometers maken. In de luchtvaart en scheepvaart zien wij  een grotere rol weggelegd voor biobrandstoffen, omdat hier de alternatieven nog beperkt zijn.

Wij willen hiervoor uitsluitend biobrandstoffen gebruiken die zijn gemaakt uit afval- en reststromen die we niet op een andere nuttige manier kunnen gebruiken. Zo voorkomen we dat de inzet van biobrandstoffen concurreert met voedselproductie. Om gewassen voor biobrandstof te telen is immers veel landbouwgrond nodig. Ook is het belangrijk dat we zeker weten dat de brandstoffen echt duurzaam zijn geproduceerd. Zo zorgen we ervoor dat biobrandstoffen daadwerkelijk minder CO2 uitstoten dan fossiele brandstoffen en zo min mogelijk andere negatieve duurzaamheidseffecten hebben.

Nadelen van biobrandstoffen op een rij

  • Biobrandstof is niet zo efficiënt. Van een oppervlakte ter grootte van een voetbalveld kan jaarlijks voldoende biobrandstof gemaakt worden voor slechts 2,4 auto’s. Hetzelfde oppervlak vol zonnepanelen kan jaarlijks 260 elektrische auto’s laten rijden.
  • Biomassa is beperkt beschikbaar en kan worden gebruikt voor bodembescherming/vruchtbaarheid, voedsel, voer, bouwmateriaal, of als energiebron voor transport of energieopwekking. Transport en energieopwekking hebben van alle toepassingen het laagste maatschappelijke nut.
  • Biomassaproductie kent een aantal serieuze duurzaamheidsrisico’s zoals ontbossing, verslechterde bodem- en waterkwaliteit, verlies aan biodiversiteit, verlies van voedsel- en waterzekerheid en landroof.
  • Het werkelijke klimaateffect van sommige biobrandstoffen is niet positief, doordat er energie nodig is om de biomassa te winnen, transporteren en verwerken tot brandstof. Levende planten en bomen nemen bovendien CO2 op. De CO2 die vrijkomt door het verbranden van biomassa, draagt alsnog in negatieve zin bij aan de opwarming van de aarde.

Zakelijk reizen

Bedrijven bepalen voor een belangrijk deel hoe wij ons verplaatsen, zowel zakelijk als privé. Veel Nederlanders kunnen nu gebruikmaken van een lease-auto met onbeperkte brandstofpas. Hiermee stimuleren werkgevers nu nog het autogebruik en ontmoedigen zij het gebruik van fiets en openbaar vervoer.

Er is grote potentie voor betere en bredere implementatie van Het Nieuwe Werken (plaats- en tijdsonafhankelijk werken). Bedrijven en leasemaatschappijen moeten meer inzetten op moderne secundaire arbeidsvoorwaarden. Zo kunnen zij flexibele werktijden en thuiswerken stimuleren. Ook kunnen zij werknemers de mogelijkheid bieden om zuinige en elektrische voertuigen te gebruiken (al dan niet gedeeld) gecombineerd met een milieuvriendelijk mobiliteitsbudget en een mobiliteitskaart voor flexibel reizen.

Met een beetje flexibiliteit blijkt vaak veel winst te behalen in onze dagelijkse reisgewoonten. De ene keer op reistijd, de andere keer op comfort of gezelligheid. En vaak op duurzaamheid. Door wat vaker te kijken wat voor jou het handigst is, ontstaan mogelijkheden je reis schoner en zuiniger te maken. Of door je reis anders in te vullen, bijvoorbeeld met thuiswerken of teleconferencing.

Wij vinden dat mensen toegang moeten krijgen tot alle aanwezige en beschikbare vormen van mobiliteit, zonder de noodzaak die mobiliteitsmiddelen te bezitten. Wij willen dat bedrijven zich werkelijk gaan inzetten voor een lagere mobiliteitsvoetafdruk door minder en schonere autokilometers te maken en door het gebruik van de fiets en  het ov te stimuleren. Zo kunnen we zakelijk bewust flexibel en duurzamer reizen.

In ons rapport Biobrandstoffen in Mobiliteit: Anders en beter kiezen zetten wij dit standpunt verder uiteen.

Luchtvaart

Vliegen heeft gigantische klimaateffecten. Door de snelle toename van het aantal vliegbewegingen zal de CO2-uitstoot van de internationale luchtvaart in 2050 bijna zijn verdubbeld. De uitstoot van waterdamp, roet, stikstof, koolwaterstof en zwavel komen daar nog bij. De totale klimaatimpact van de luchtvaart is hierdoor minimaal twee tot vijf keer hoger dan de impact van alleen de CO2-uitstoot.1

Binnen het Klimaatakkoord hebben vrijwel alle sectoren een besparingsdoel opgelegd gekregen, optellend naar 49% CO2-besparing in 2030. De luchtvaartsector hoeft zich van de Nederlandse overheid niet aan deze doelen te houden. Het gevolg is dat er onvoldoende effectief en dwingend beleid is opgesteld voor vermindering van luchtvaartemissies. Dit staat haaks op de steeds urgentere noodzaak om de uitstoot van alle broeikasgassen snel omlaag te brengen.

Wij vinden dat de overheid alle groeiplannen van luchthavens moet bevriezen en moet afzien van de opening van vliegveld Lelystad Airport. Eerst dient in klimaatbeleid voor de luchtvaart tenminste de volgende maatregelen geborgd zijn:

  • Een CO2-plafond voor de luchtvaart dat jaarlijks met 5% daalt en juridisch bindend is gemaakt. Wij verwachten dat zo’n plafond de sector aanjaagt om te innoveren en efficiënter te worden.
  • Een eerlijke belasting op vliegen. De vraag naar luchtvaart wordt aangewakkerd door extreem lage prijzen. Bij een eerlijke vliegprijs, waarin accijns op kerosine, btw en de kosten van schade aan klimaat, luchtkwaliteit en gezondheid doorberekend worden aan de passagier, zal de vraag afnemen en verbetert de concurrentiepositie van schone vervoersalternatieven.
  • Stimulering van innovatie in duurzame technologieën en alternatieve brandstoffen. In de toekomst zullen we minder moeten vliegen, maar voor de vluchten die nog wel plaats zullen vinden, is het zaak dat de innovatie zo snel mogelijk op gang komt. Met name brandstoffen hebben de potentie om in 2030 een significante bijdrage te leveren aan het verlagen van de emissies van luchtvaart. Dat vraagt nu wel om de juiste beleidskeuzes. Wij roepen de overheid op om ambitieus brandstoffenbeleid op te stellen met een bindend duurzaamheidskader.
  • Een sterke inzet op de trein voor reizen binnen Europa. We kunnen circa 89.000 korte vluchten op Schiphol schrappen als we knelpunten op het spoor oplossen.2

In onze Alternatieve Luchtvaartnota hebben wij het toekomstbeeld van een duurzame luchtvaart uiteengezet.

1 Bron: CE Delft 2018, Ontwikkelingen Nederlandse luchtvaart – Een beknopt overzicht.

2 Bron: Royal HaskoningDHV 2018, Vergelijk vliegen met treinreizen voor korte afstanden.

Kilometerprijs

Duurzame keuzes moeten betaalbaar zijn om aantrekkelijk te zijn. Dat is mogelijk door vervuilende technieken en gedrag te beprijzen en door duurzame technieken en gedrag te stimuleren.

Een auto heeft de meeste impact op het milieu als deze gebruikt wordt. Toch heffen we nu vooral belasting op de aanschafprijs van een auto. Wij vinden dat Nederland het gebruik van de auto moet belasten: hoe meer kilometers je rijdt, hoe meer je betaalt. In de trein is dat al heel normaal.

Wij willen dat er een prijs per kilometer wordt geheven voor alle voertuigen op alle wegen in Nederland: we moeten toe naar een vorm van rekeningrijden. Door een goede prijsdifferentiatie toe te passen, kunnen we stimuleren dat mensen meer gebruikmaken van zuinige en elektrische voertuigen en voertuigen die weinig externe kosten veroorzaken. Dit zijn kosten die samenhangen met geluidsoverlast, emissies, verkeersdrukte en veiligheidsrisico’s. Door de juiste prijzen te stellen, kunnen de huidige motorrijtuigenbelasting en de aanschafbelasting in deze kilometerheffing opgaan.

Autodelen

Auto’s staan gemiddeld 23 uur per dag stil. Autodelen maakt ruimte vrij in steden en mensen besparen er veel kosten mee. Degene die de auto uitleent verdient er geld aan, degene die de auto gebruikt bespaart kosten van autobezit. Ook bedrijven kunnen flink besparen door deelauto’s beschikbaar te stellen.

Wij willen dat autodelen de norm wordt: een auto tot je beschikking hebben is belangrijker dan een auto bezitten. Het maakt niet uit of dat particuliere deelauto’s of commerciële deelauto’s zijn.

Stadslogistiek

Stadslogistiek heeft een grote impact op de leefbaarheid van de stad. Het is onze ambitie dat we onze steden zonder emissies en op efficiëntere wijze bevoorraden, met stille, schone en elektrische voertuigen. Zo verbetert de luchtkwaliteit, krijgen fietsers en voetgangers meer ruimte en verbetert de leefbaarheid in de stad. Met ingang van 2025 wordt in dertig tot veertig steden een zogenaamde ‘zero-emissiezone’ voor goederenvervoer van ingevoerd. Daardoor mogen alleen nog vrachtauto’s en bestelwagens zonder uitstoot bij het stadscentrum komen. Wij zetten niet alleen in op de groei van elektrische vrachtauto’s, elektrische bestelbussen en cargobikes, maar vinden dat er ook overslagpunten – zogenaamde mobiliteitshubs – moeten komen. Daar kunnen we goederen bundelen, zodat er geen halflege voertuigen meer rondrijden.

Zero-emissiezones zijn een eerste noodzakelijke stap op weg naar uitstootvrij vrachtvervoer. Door lokaal en in kleine gebieden te beginnen met deze maatregel, creëren we vraag naar emissievrije voertuigen en doen vervoerders de ervaring op die nodig is voor de verdere transitie naar duurzame logistiek.

Mobiele werktuigen

Mobiele machines in de bouw en landbouw zijn goed voor 8% van de CO2-uitstoot van het verkeer in Nederland, 12% van de totale NOx –uitstoot en 8% van de fijnstofuitstoot. Naast het klimaateffect, levert dit zowel binnen steden als in het landelijk gebied geluids- en stankoverlast en gezondheidsproblemen op. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekent de maatschappelijke kosten van de luchtvervuiling op ongeveer 1 miljard per jaar. Daarom moeten we toe naar duurzame, mobiele werktuigen.

Mobiele machines moeten voldoen aan Europese normen voor luchtkwaliteit, die de afgelopen jaren steeds strenger zijn geworden. Onze inventarisatie van elektrische mobiele werktuigen is een belangrijk hulpmiddel voor bouwbedrijven die nieuwe mobiele werktuigen aanschaffen, maar ook voor aanbestedende partijen die eisen willen stellen ten aanzien van het gebruik van duurzame brandstoffen op de bouwplaats.

Energie

Windenergie

Windenergie is de komende 20 jaar een van de belangrijkste duurzame bron van elektriciteit voor Nederland. Windenergie is schoon, onuitputtelijk én we kunnen het zelf produceren. Zo zijn we minder afhankelijk van gas, kernenergie en kolen uit andere landen. Natuur en Milieu is voorstander van windenergie net als ruim 70% van de Nederlanders. Wind op land stuit op ruimtelijke inpassingsproblemen en gebrek aan lokaal draagvlak, waardoor uitbreiding beperkt blijft. De grootste potentie zien we voor wind op zee. Door middel van interconnecties met buurlanden, o.a. via een Noordzee-grid, kunnen pieken en dalen in windenergieproductie worden opgevangen en kosten scherp dalen.

Wat is er nodig de komende jaren? 
Allereerst is er consistent beleid nodig. Het klimaatakkoord moet de basis zijn voor grootschalige uitrol van windenergie. Daarnaast is er verdere kostendaling nodig van windenergie, en een hogere prijs voor CO2, zodat windenergie op termijn geen subsidie nodig heeft. Voorlopig moet de SDE-regeling beschikbaar blijven voor windprojecten totdat subsidieloze projecten de norm zijn. Verder moeten we het draagvlak voor windenergie behouden en uitbouwen. Bij het ontwikkelen van wind op zee-projecten moet ook, waar mogelijk, natuurinclusief gebeuren. Ten slotte is het nodig dat we een energiesysteem inrichten dat geschikt is voor circa 50-75% elektriciteit uit windenergie. Dat kan door interconnecties met buurlanden, flexibele beprijzing, opslag, en nieuwe technieken die we nog niet kennen.

Industrie

In de transitie naar een klimaatneutrale samenleving is een enorme klimaatwinst te behalen bij de industrie. Om de benodigde CO2-reductie te behalen, moet de industrie gestimuleerd worden om energiebesparende maatregelen te treffen en gebruik te maken van duurzame energiebronnen, processen en technieken.

Omslag naar duurzame processen en producten
Om de klimaatdoelen te halen, moeten we de CO2-utistoot van de industrie naar nul brengen en het gebruik van fossiele brand- en grondstoffen afbouwen. Wij vinden het belangrijk dat de industrie procesefficiëntiemaatregelen neemt en circulariteit doorvoert en gebruik gaat maken van duurzame bronnen, zoals wind-, aard-, en zonne-energie door processen te elektrificeren of, waar directe elektrificatie met duurzame stroom geen optie is, door gebruik te maken van groene waterstof als grond- en brandstof.

Waar er op de korte termijn geen gebruik kan worden gemaakt van duurzame bronnen, kan CO2-opslag worden toegepast. CO2-opslag is geen structureel duurzame maatregel, omdat dit niet het proces zelf duurzamer maakt. Daarom vinden wij het belangrijk dat we CCS slechts beperkt, en als onderdeel van een bredere set van verduurzamingsmaatregelen toepassen, zodat het echte verduurzaming niet verdringt.

CO2-heffing: de vervuiler betaalt
De kosten van klimaatverandering zitten momenteel niet verwerkt in prijzen, waardoor uitstoot van CO2 goedkoop is en duurzame alternatieven onnodig duur zijn. Met een CO2-heffing wordt de CO2-uitstoot beprijsd, zodat er een prikkel komt voor bedrijven om te verduurzamen. In 2021 is een CO2-heffing voor de industrie ingevoerd, waardoor vervuiling een prijs krijgt en bedrijven worden gestimuleerd om te investeren in duurzame maatregelen. Tegelijkertijd vinden wij dat industriële bedrijven gebruik moeten kunnen maken van subsidies om CO2-besparende maatregelen uit te voeren. De opbrengsten van de CO2-heffing kunnen als verduurzamingsubsidies gebruikt worden.

De CO2-heffing zien wij als essentieel onderdeel van een maatschappij waarin we een prijskaartje hangen aan milieuschade. Zo maken we duurzaam ondernemen concurrend. Wil je weten welke kansen wij nog meer zien om milieuschade een prijs te geven? Bekijk dan ons rapport Duurzaam ondernemen concurrerend maken.

Zonne-energie

Zonne-energie is duurzaam en zonnepanelen zijn populair. Daarom moeten we volgens Natuur & Milieu de zon optimaal benutten voor het opwekken van energie. Toch levert zonne-energie op dit moment slechts 0,42% van de totale energieproductie en slechts 0,37 % van alle stroom. Er zijn er in Nederland ongeveer een kwart miljoen huishoudens die zelf stroom opwekken. De meeste daken bevatten nog geen zonnepanelen. Gelukkig groeit het aantal zonnepanelen in Nederland heel hard en neemt ook het vermogen per zonnepaneel steeds verder toe en dalen de kosten van stroom opgewekt uit zonne-energie.

Wij zouden graag zien dat alle Nederlandse daken, zowel woningen als bedrijven, benut worden voor zonnepanelen. Voor zonneparken op de grond zien wij minder potentie. Natuur & Milieu wil voorkomen dat zonne-energie ander en hoogwaardiger gebruik van grondlocaties verdringt. Windenergie levert per hectare meer op. In een klein en dichtbevolkt land als Nederland moet ook ruimte zijn voor landbouw, recreatie en natuur. Op delen van bedrijventerreinen en geluidschermen is het opwekken van zonne-energie interessant.

In principe kan  zonne-energie ingezet worden als opwekker van warmte door middel van zonnecollectoren op daken. Natuur & Milieu heeft voorkeur voor zonnepanelen op daken t.o.v. zonnecollectoren omdat de kosten lager zijn en de aanpassingen aan de woning of het pand geringer.

De (technische) potentie van zonne-energie is enorm, ook in Nederland. Toch zal Nederland niet voor 100% op eigen zonnestroom kunnen ‘draaien’, als alle daken vol liggen kunnen we ongeveer 30-40% van alle elektriciteit halen uit zonne-energie. Ontzettend veel, maar andere duurzame bronnen zoals windenergie zijn nodig om aan de totale Nederlandse elektriciteitsvraag te voldoen.

Energiebesparing thuis

Te veel Nederlandse huizen zijn niet goed geïsoleerd. Daardoor gebruiken de bewoners te veel gas voor de verwarming en dat leidt tot de uitstoot van CO2. Voor het klimaat, maar ook voor het comfort en de energierekening van de bewoners, moeten we ‘meer gas gaan geven op isolatie’. Het tempo moet omhoog. Natuur & Milieu hoopt op een isolatiegolf.

Die isolatiegolf kan gaan rollen als de Rijksoverheid een beter beleid voert. Een nationale aanpak is nodig voor de slechtst geïsoleerde huizen. De eigenaren van deze woningen moeten beter gestimuleerd en gesteund worden, door de bank, de isolerende bedrijven en vooral door de Rijksoverheid. Vooral de financiële ondersteuning moet beter.

Gelukkig zijn er jaarlijks vele huishoudens die een isolerende maatregel nemen, zoals het vervangen van enkel glas, het isoleren van de vloer, het dak of de muren. Of ze dichten de kieren. We zijn blij met iedere stap die goed is voor het klimaat.

Samen met de Rijksoverheid kunnen we een isolatiegolf door Nederland laten rollen. En als alle huizen goed zijn geïsoleerd kunnen ze makkelijker verwarmd worden door duurzame warmte. Dan wonen we duurzaam en besparen we energie.

Aardgas en warmte

We gaan in Nederland van het aardgas af. Dat betekent dat we woningen en gebouwen anders moeten gaan verwarmen. In het Klimaatakkoord is gekeken hoe we de overgang van aardgas naar alternatieve bronnen mogelijke kunnen maken. We moeten onder andere onze woningen gaan isoleren om energie te besparen. Goed isoleren betekent bijvoorbeeld spouwmuurisolatie, dakisolatie, vloerisolatie en het laten plaatsen van isolatieglas. Daarnaast moeten gemeenten aan de slag met plannen om gebouwen aan te sluiten op duurzame warmtebronnen. Het gaat dan bijvoorbeeld over warmtenetten met een duurzame bron zoals aardwarmte, zonnecollectoren, aquathermie, collectieve warmtepompen op groene stroom en restwarmte. In de gasloze gebouwde omgeving koken we bovendien elektrisch op inductiekookplaten. Met het besluit van Kabinet Rutte III om te stoppen met het gebruik van (Gronings) aardgas, is een belangrijke stap gezet richting een veiliger Groningen en een duurzamere energievoorziening. Nu is het tijd voor doorpakken en een gasloze gebouwde omgeving te realiseren.

Kolen

Door kolen opgewekte energie wordt gemaakt met een zeer hoge CO2-emissie, wat bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Naast CO2 hebben kolen andere giftige emissies als kwik en NOx die schadelijk zijn voor natuur. Ondanks de vele nadelen blijven kolen economisch enorm aantrekkelijk voor energiemaatschappijen. Dit omdat ze nog in overvloed beschikbaar zijn tegen een goede prijs. Maar kolen hebben geen toekomst meer. Meer opwek van echt groene energie en grootschalige energiebesparing hebben dat wel.

Om de klimaatdoelstellingen van Parijs te halen, zal Nederland flink minder CO2 moeten uitstoten. Dat kan relatief goedkoop gerealiseerd worden door de kolencentrales eerder te sluiten. Hierbij moet voorkomen worden dat kolencentrales worden omgebouwd naar centrales die voor 100% op biomassa draaien. De schaarste hoeveelheid duurzame biomassa kan beter voor hoogwaardigere toepassingen worden gebruikt zoals voor materiaaltoepassingen en bepaalde toepassingen van biobrandstof.

Afvalverbranding

In huishoudens wordt ongeveer de helft van het afval gescheiden en blijft dus de andere helft over als restafval. In Nederland wordt dit restafval bijna allemaal verbrand in afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s). Hieruit wordt warmte of elektriciteit geproduceerd die deels duurzaam genoemd wordt.

Verbranden van afval is voor ons een laatste stap. We zijn dan ook blij met de toenemende trend van ‘urban mining’, waarin afval vooral grondstoffen levert. Ook wordt de potentie van restwarmte van AVI’s steeds meer ingezien, waardoor het Nederlandse gebruik van gas omlaag kan. Wij staan hier positief tegenover.

Waterkracht

In Nederland is het potentieel voor waterkrachtcentrales beperkt vanwege gebrek aan hoogteverval. Kleine stuwen en dammen leveren op dit moment 37 MW en zijn voorzien van visgeleidingssystemen en een vistrap om het waterleven te beschermen. Daarnaast wordt geëxperimenteerd met andere technieken, zoals energieopwekking met membranen waar zoet en zout water samenkomen, en het gebruik van waterstromen door getijden. Deze technieken zijn echter nog duur en zullen hier op korte termijn geen grote rol spelen.

Wij zien in Nederland weinig potentieel voor waterkracht, maar staan positief tegenover import van waterkrachtstroom uit landen als Noorwegen. Wel zijn we kritisch over de aanleg van nieuwe grootschalige waterkrachtcentrales, omdat de bouw van een stuwmeer en dam het waterleven en verloop van een rivier beïnvloedt. Bovendien zorgt het onderlopen van land voor uitstoot van het sterke broeikasgas methaan. Wel zien we graag dat lokale, kleinschalige en bovendien visvriendelijke waterkrachtcentrales worden ontwikkeld.

Kernenergie

Slechts 3% van onze elektriciteit wordt door kernenergie opgewekt. Dit gebeurt in één centrale, die gebouwd is in 1973. Met het oog op de Kyoto-doelstelling om minder CO2 uit te stoten, werd in 2006 besloten dat deze kerncentrale tot 2033 open zal blijven.

Hoewel er geen directe CO2-uitstoot plaatsvindt bij de opwek van kernenergie, zijn wij tegen nieuwe kerncentrales. Kernenergie leidt tot radioactief afval dat minstens tienduizend jaar veilig moet worden opgeslagen: een grote belasting voor toekomstige generaties. Daarnaast kunnen de gevolgen als er iets fout gaat enorm zijn, zoals de rampen in Tsjernobyl en Fukushima hebben bewezen. Ook zijn de kosten hoog (windenergie is al goedkoper en heeft een aanzienlijk lagere milieu-impact) en zijn kerncentrales niet flexibel. Hierdoor zijn ze geen goede back-up voor fluctuerende energiebronnen als wind- en zonne-energie. Deze bezwaren gelden in mindere mate ook voor thoriumreactoren.

Dat het nieuwe kabinet in het regeerakkoord van 2021 miljarden heeft uitgetrokken voor kernenergie is wat ons betreft een bittere tegenvaller. Deze miljarden zouden op zijn minst ook beschikbaar moeten zijn voor écht duurzame technieken.

Waterstof

Waterstof is geen natuurlijke energiebron zoals de zon of de wind. Het is een energiedrager, die eerst gemaakt moet worden. Bestaande technieken om waterstof te produceren, zijn niet allemaal even duurzaam. De productie van grijze en blauwe waterstof met behulp van aardgas veroorzaakt een aanzienlijke CO2 uitstoot. Deze wordt bij ‘blauwe’ waterstof opgeslagen onder de grond – een tijdelijke oplossing die nog gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen. Groene waterstof ontstaat door elektrolyse waarbij water (H2O) door middel van groene elektriciteit (uit zon of wind) wordt gesplitst in waterstof (H2) en zuurstof (O2). Hier komen geen broeikasgassen bij vrij. Maar groene elektriciteit is vooralsnog schaars, en bij het omzetten van elektriciteit naar waterstof gaat een aanzienlijk deel van de energie verloren, terwijl je groene elektriciteit ook rechtstreeks kunt gebruiken om bedrijven, woningen, treinen en elektrische auto’s van stroom te voorzien.

Waterstof gaat een rol spelen in de energietransitie, maar is niet de oplossing voor het uitfaseren van alle fossiele energiebronnen. We hebben een mix aan alternatieven nodig om onze energievoorziening te verduurzamen. Waterstof is een van die alternatieven. Omdat duurzame waterstof nog schaars is, moet het daar moet worden toegepast waar geen duurzamer alternatief is. Bijvoorbeeld in de industrie waarbij een zeer hoge temperatuur nodig is. Of als systeemfunctie voor ons elektriciteitsnet. Voor andere sectoren zoals de gebouwde omgeving en vervoer moeten we nu al maatregelen nemen om van fossiele brandstoffen af te gaan en onze energievoorziening te verduurzamen. Daar moeten we niet wachten op waterstof.

Voedsel

Circulaire landbouw

Het Nederlandse landbouwsysteem is niet circulair. Om te beginnen is het een sector die de hele wereld overspant: veevoer komt van ver weg, een deel van de mest wordt geëxporteerd naar het buitenland en ook wordt een (groot) deel van de productie geëxporteerd. Daarnaast wordt vooral in de veehouderij gebruik gemaakt van grondstoffen die mensen ook kunnen eten, waardoor er sprake is van competitie. Zo eten kippen mais en andere granen die ook direct door mensen geconsumeerd kunnen worden. Dit is niet efficiënt: het draagt bij aan klimaatverandering en in het kader van de groeiende wereldbevolking is het niet verstandig.

Wij pleiten voor een circulair voedselsysteem waarin kringlopen (zo lokaal mogelijk) gesloten zijn en er zo min mogelijk competitie tussen voedsel voor dieren en voedsel voor mensen is. Dit kan onder andere door te zorgen dat er mestevenwicht is: de hoeveelheid dieren is zodanig dat alle mest die geproduceerd wordt, op grond in de buurt kan worden benut. Daarnaast wordt de grootte van de veestapel (ook) begrensd door de hoeveelheid veevoer die uit reststromen kan worden gemaakt. Zo gaat er geen voor mensen eetbaar voedsel meer in veevoer. Koeien eten vooral gras (van gronden waar akkerbouw niet mogelijk is) en varkens en kippen eten restproducten uit de retail en/of verwerkende industrie (denk aan oud brood of afvalstromen van bakkerijen, snoepfabrieken, aardappelverwerkers en bierbrouwerijen).

Veehouderij

De veehouderij in Nederland overschrijdt milieugrenzen. Dit komt met name door de omvang van de veestapel, maar ook door de manier waarop dieren worden gehouden. Dit zorgt voor vervuiling van bodem en water (onder andere door een teveel aan nutriënten) en lucht (bijvoorbeeld stankoverlast, maar ook uitstoot van schadelijke stoffen zoals fijnstof en ammoniak). Daarnaast is de productie van vlees en zuivel belastend voor milieu en klimaat en worden grote hoeveelheden land gebruikt voor de productie van veevoer, wat biodiversiteit in binnen- en buitenland bedreigt.

Wij staan voor een gezonde en duurzame veehouderij die geen schade toebrengt aan haar omgeving. Door het verminderen van het aantal dieren én door het verduurzamen van het veevoer en de houderijsystemen blijft deze sector binnen milieugrenzen. De mest die door dieren in Nederland wordt geproduceerd, kan dan veilig op bodems in Nederland worden benut – er is dus geen mestoverschot meer. Daarnaast bestaat het veevoer geheel of zoveel mogelijk uit reststromen en coproducten. Waar dat nog niet het geval is, komt het van dicht(er)bij en is duurzaam geteeld. Dieren in de veehouderij zijn weerbaar en kunnen hun natuurlijke gedrag vertonen. Boeren verdienen een eerlijke prijs voor hun product. Lees hier alles over in onze Voedselvisie.

Melkveehouderij

De melkveehouderij in Nederland overschrijdt milieu- en natuurgrenzen. Met name de hoge productie van fosfaat en stikstof (door mest) vormde en vormt een probleem. Wij vinden dat de melkveehouderij in Nederland (en ook daarbuiten) weer grondgebonden moet worden. Dat wil zeggen dat boeren de mest van de koeien op hun eigen land kunnen benutten. Dit zorgt voor sluiting van mineralenkringlopen en een gezonde bodem (door de toevoeging van organische stof). Ook moeten koeien zoveel mogelijk in de wei staan: dat is beter voor het milieu en voor de koe. In weilanden is ook ruimte voor biodiversiteit, zoals kruidenrijk grasland en weidevogels.

Omdat er bij de omzetting van voedsel (bijvoorbeeld gras > koe > melk/vlees) altijd verliezen plaatsvinden, is het in principe efficiënter om land te gebruiken om voedsel voor mensen te verbouwen. Rundvee heeft echter, in beperkte mate, wel een waarde in het voedselsysteem: koeien kunnen gras (dat wij niet kunnen eten) omzetten in producten die wij wel kunnen eten (melk en vlees). Op sommige gronden (bijvoorbeeld veen) groeit niets anders dan gras – daar kan dus (nog) geen voedsel voor mensen worden verbouwd. Als koeien grazen op deze gronden, wordt dit land toch nuttig gebruikt om gras, via de koe, om te zetten in producten die wij wel kunnen eten

Veevoer

De teelt van veevoer draagt voor een significant deel bij aan de milieu-impact van de productie van vlees en zuivel. Daarnaast vindt de teelt van veevoer deels plaats in gebieden waar boskap is of waar bodems uitgeput raken. Ook gebruiken we kostbare landbouwgrond voor de productie van granen die gevoerd worden aan vee, terwijl we dat zelf ook heel goed kunnen eten. Tel daarbij het transport over grote afstanden op en zie: de huidige manier van veevoerproductie is verre van duurzaam.

Wij vinden dat wanneer er sprake is van veevoerproductie (bijvoorbeeld soja of granen), dat moet gebeuren zonder schade aan het regenwoud, aan de bodem en aan natuur en biodiversiteit. Beter nog is het wanneer er geen competitie is tussen veevoer en humane voedselvoorziening. Productie van veevoer moet verleden tijd worden: dieren zijn namelijk bij uitstek geschikt om stromen die wij niet kunnen of willen eten, om te zetten in een nuttig product. Varkens en kippen groeien goed op reststromen (denk aan coproducten uit de suiker- of aardappelindustrie en uit bakkerijen) en koeien kunnen gras op marginale gronden omzetten in melk en vlees. Op die manier kunnen we zo efficiënt mogelijk gebruikmaken van land en organische (rest)stromen. Zie ook het standpunt circulaire landbouw.

Mest en mineralen

De landbouw in Nederland is intensief en hoogproductief. Om deze productie op peil te houden, worden grote hoeveelheden (kunst)mest gebruikt. Een deel van deze mineralen komt echter in het milieu terecht, waardoor bodem, grondwater en oppervlaktewater vervuild raken en biodiversiteit bedreigd wordt. Het gebruik van minerale kunstmest draagt niet bij aan het op peil houden van het organische stofgehalte van de bodem, waardoor onder andere de bodemstructuur en het vermogen tot waterberging achteruitgaan. Daarnaast is de veestapel in Nederland zo groot, dat we niet alle mest op Nederlandse bodems kunnen benutten. Daarom wordt een deel van de mest ‘verwerkt’: dat wil zeggen geëxporteerd, eventueel na een bewerkingsstap zoals vergisting of verbranding. Hier wordt echter mee gefraudeerd door meer mest op het land te brengen dan is toegestaan, terwijl op papier wordt aangegeven dat deze mest wordt geëxporteerd. Ook is mest door het overaanbod niet langer een waardevolle grondstof: boeren moeten betalen om hun mestoverschot af te voeren. Dit kan en moet anders.

Wij vinden dat mest weer een waardevolle grondstof moet worden en dat het gebruik van mest binnen milieugrenzen moet blijven. Om de bodemkwaliteit en bodemvruchtbaarheid te waarborgen, moet het aandeel kunstmest flink omlaag. Dierlijke mest (vooral vaste mest) en compost zorgen voor voeding van bodems met zowel mineralen als met organische stof. Dat is nodig voor gezonde bodems en voedselproductie op de lange termijn, en zorgt voor opslag van koolstof in de bodem.

Daarnaast pleiten wij voor evenwicht op de mestmarkt: zorg dat de mest die geproduceerd wordt door vee in Nederland, ook kan worden benut op Nederlandse bodems. Mestverwerking is dan niet meer nodig. Dit betekent dat de veestapel kleiner zal moeten worden. Zo blijft de veehouderij en het gebruik van mest binnen milieugrenzen en wordt mest weer een waardevolle grondstof. Het bewerken van mest moet alleen gebeuren als dat zorgt voor een meststof die beter is voor de bodemgezondheid.

Zie ook ons standpunt mestbewerking en lees meer in onze Voedselvisie.

Mestbewerking

We hebben in Nederland te maken met een mestoverschot. Een deel van de mest mag niet op Nederlandse bodems worden benut vanwege het mestoverschot en wordt daarom geëxporteerd (verwerkt). Vaak vindt eerst een bewerkingsstap plaats, bijvoorbeeld vergisting of verbranding van mest. Wij vinden dat onnodig en soms zelfs zonde. Daarom vinden wij dat mestbewerking alleen moet gebeuren als dat zorgt voor een meststof die beter is voor de bodemgezondheid.

Bij mestverbranding blijven de mineralen in de mest over en wordt de organische stof (de koolstof) verbrand. Zo blijft er een meststof achter die weliswaar nutriënten levert, maar niet de organische stof in de bodem op peil houdt. Dat is een risico, want bodems hebben organische stof nodig voor een goede structuur, voor het vasthouden en leveren van mineralen en voor waterberging. Bij mestvergisting wordt de methaan die vrijkomt uit mest verbrand en wordt dus energie gewonnen uit mest. De organische stof blijft weliswaar behouden, maar deze verandert van samenstelling. Er is weinig bekend over het effect van het opbrengen van vergiste mest op de bodem.

Bovendien vinden we dat mest niet moet worden gezien als energiebron, maar als bodemverbeteraar. Daarom zijn wij geen voorstander van mestvergisting. Mestbewerking moet plaatsvinden met als uitgangspunt het verbeteren van bodemkwaliteit en -gezondheid, zodat er meststoffen ontstaan die gezond zijn voor de bodem. Dat kan door mest zo snel mogelijk te scheiden in een dikke en een dunne fractie en/of door het te composteren. Zie ook onze standpunten mest en mineralen en bodemvruchtbaarheid.

Bodemvruchtbaarheid

Als het gaat om voedselvoorziening, is de bodem ons grootste goed. De bodem levert nutriënten, water, de mogelijkheid voor planten om te wortelen en is een thuis voor een heel groot scala aan diertjes, schimmels en bacteriën die ervoor zorgen dat de bodem blijft functioneren. Zonder een gezonde en levende bodem is voedselvoorziening niet mogelijk. Hoe gezonder de bodem, hoe minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen nodig zijn en hoe minder de boer hoeft te beregenen bij droog weer.

De bodemgezondheid en -vruchtbaarheid staan echter wereldwijd onder druk. In Nederland is er sprake van zeer intensieve bemesting met (kunst)mest, waardoor er weliswaar genoeg mineralen in de bodem komen, maar de hoeveelheid organische stof daalt in sommige gevallen. Organische stof is onder andere nodig voor een goede bodemstructuur en waterhuishouding. In andere delen van de wereld, bijvoorbeeld daar waar veevoer voor export wordt verbouwd, is er juist sprake van het onttrekken van mineralen aan de bodem door export van organische stof en door onderbemesting.

Om de bodemkwaliteit en -vruchtbaarheid te waarborgen, moet het aandeel kunstmest flink omlaag. Dierlijke mest (vooral vaste mest) en compost zorgen voor voeding van bodems met zowel mineralen als met organische stof. Ook moeten we zorgen voor een op kleine(re) schaal gesloten voer-mestkringloop. Op die manier komt de mest zoveel mogelijk terug op de bodem waar het veevoer is geproduceerd, zodat bodems niet meer worden uitgeput of overbemest.

Biodiversiteit

De biodiversiteit lijdt onder de impact van de mens. Het intensieve gebruik van land, verstedelijking en versnippering, waterhuishouding, de uitstoot van schadelijke stoffen, klimaatverandering – al deze elementen hebben impact op de biodiversiteit. De (Nederlandse) landbouw heeft een niet te onderschatten negatief effect op de biodiversiteit. Dat komt onder andere door het zeer intensieve gebruik van land, door grootschalige monoculturen en door het gebruik van te veel (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen. Tegelijk is biodiversiteit essentieel voor het voortbestaan van natuur en ecosystemen, maar ook voor de voedselvoorziening.

Wij vinden dat de biodiversiteit moet worden beschermd en dat de achteruitgang die de laatste tientallen jaren heeft plaatsgevonden, moet worden omgekeerd. De landbouw kan en moet hieraan bijdragen door onder andere natuurinclusiever te produceren en door minder kunstmest en (schadelijke) bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Zie ook het standpunt gewasbescherming.

Waterkwaliteit

Goede waterkwaliteit is van levensbelang. Het is essentieel voor de biodiversiteit en voor het functioneren van ecosystemen. Maar ook mensen hebben belang bij schoon water: we zijn ervan afhankelijk voor ons drinkwater, voor landbouw en industrie en voor recreatie. De waterkwaliteit in Nederland staat sterk onder druk. Met name de ecologische waterkwaliteit is rampzalig: slechts 1% van de wateren binnen de Kaderrichtlijn Water voldoet aan de norm. Dit heeft negatieve gevolgen voor onder andere de biodiversiteit en drinkwatervoorziening.

De belangrijkste oorzaken van de slechte waterkwaliteit in Nederland zijn het gebruik van mest en bestrijdingsmiddelen, waarvan een deel in het water terechtkomt. Daarom moet vervuiling door deze stoffen drastisch omlaag. Regelgeving rondom mest en bestrijdingsmiddelen moet beter worden gehandhaafd en soms ook aangescherpt. Een duurzamer voedselsysteem is uiteindelijk de meest structurele oplossing.

Bestrijdingsmiddelen

Bestrijdingsmiddelen, of gewasbeschermingsmiddelen, zijn stoffen die worden gebruikt om gewassen te beschermen tegen ziekten en plagen. Ze zijn binnen de gangbare manier van voedselproductie nodig voor het produceren van voldoende voedsel van goede kwaliteit. Maar bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen komt een deel ervan in het water en de bodem terecht en richt daar schade aan. Dat kan zich uiten in vervuiling van bodem en water, maar ook in schadelijke effecten op bodem- en waterdieren en op insecten (waaronder bijen).

Om deze schadelijke effecten zoveel mogelijk te verminderen, vinden wij dat er minder chemische bestrijdingsmiddelen moeten worden gebruikt en dat ze slimmer moeten worden ingezet. Het voorkómen van het gebruik moet belangrijker worden. Dat kan onder andere door in te zetten op een gezonde bodem, slimme teeltsystemen en het telen van planten die beter bestand zijn tegen ziekten en plagen.

Naast preventie van het gebruik van chemische middelen vinden wij dat handhaving van wet- en regelgeving strikter moet worden. Het gebruik van de meest chemische middelen moet worden verboden. Daarbij gaat het onder andere om bestrijdingsmiddelen die neonicotinoïden bevatten (voor bijen, insecten en vogels zeer schadelijk). De toelating voor natuurlijke middelen moet worden aangepast, zodat deze middelen sneller op de markt kunnen komen.

Gezond en duurzaam eten

Wij willen dat iedereen gezond, lekker en duurzaam kan eten, nu en in de toekomst. De milieubelasting van ons huidige eetpatroon is te hoog. Wij vinden dat dat moet veranderen, en dat kan ook! Je kunt lekker en gezond eten zonder de aarde uit te putten. Hoe dat menu eruitziet? Geef groenten bij iedere maaltijd de hoofdrol. Eet zoveel mogelijk met het seizoen mee en kies voor lokale producten. Varieer uitgebreid met peulvruchten, noten en granen en eet met mate vlees, vis en zuivel. Wees creatief en verspil geen voedsel.

Keurmerken

Veel mensen willen graag duurzamer, eerlijker of diervriendelijker eten en drinken. Een keurmerk is een onafhankelijk bewijs dat een product aan hogere eisen (dan de wettelijke) voldoet. Handig voor de bewuste consument dus. Maar er zijn ook veel logo’s en merken die op een keurmerk lijken. Door de overdaad aan (keur)merken en logo’s weten veel mensen niet meer wat ze allemaal betekenen.

Wij vinden dat het aantal keurmerken omlaag moet, zodat het voor de consument duidelijker en overzichtelijker wordt welke opties duurzamer zijn. Keurmerken moeten door een onafhankelijke partij worden ontwikkeld en borging moet door een aparte instantie gebeuren. Daarnaast moeten keurmerken zoveel mogelijk integraal duurzaam zijn; dat wil zeggen dat ze op meerdere aspecten van duurzaamheid verbetering realiseren. Met het uitgebreide Beter Leven keurmerk zetten wij een stap in deze richting.

Uiteindelijk moeten, volgens Natuur & Milieu, een combinatie van strenge Europese regels, afspraken tussen Nederlandse supermarkten en goede keurmerken ervoor zorgen dat ons voedsel steeds duurzamer wordt.

Horeca

Het aanbod van duurzaam en gezond eten buiten de deur is groeiende, maar er valt nog veel te winnen. Veel restaurants leggen de nadruk op vlees en vis en serveren niet of nauwelijks seizoens- en streekproducten. Daarnaast wordt er veel voedsel verspild. Ook kan het menu gezonder en duurzamer door de hoeveelheid zout, suiker en vet te verminderen.

Wij pleiten voor duurzamere en gezondere menu’s in de horeca die de volgende principes volgen: groenten in de hoofdrol, minder vlees en vis, meer seizoensproducten en voedsel van dichtbij. Daarnaast kunnen restaurants stappen zetten om de hoeveelheid voedselverspilling behoorlijk terug te dringen. Zo wordt de milieu-impact van restaurants flink verminderd.

Er is nog veel winst te behalen. Porties vlees zijn erg groot, restaurants maken veel gebruik van rood vlees en de groenteporties zijn klein.

Voedselverspilling

Er is steeds meer aandacht voor de enorme hoeveelheden voedsel die jaarlijks verloren gaan in Nederland. En dat is belangrijk, want de verspilling van voedsel heeft een enorme milieu-impact. Jaarlijks gooien we in Nederland per persoon thuis 47 kilogram voedsel weg. Dat is zo’n 14% van het voedsel dat we kopen. De Europese commissie heeft berekend dat de voedselverspilling in de EU een CO2-uitstoot van 170 Megaton tot gevolg heeft; dat is ongeveer gelijk aan de jaarlijkse uitstoot van heel Nederland (in 2008).

Behalve dat voedselverspilling zonde is, is het ook niet nodig. Een groot deel van de verspilling betreft voedsel dat nog eetbaar is. Wij vinden dat voedselverspilling zoveel mogelijk moet worden teruggedrongen; niet alleen thuis, maar in de gehele keten. Op die manier dragen we bij aan het verminderen van de CO2-uitstoot en zorgen we dat alle inputs die nodig zijn geweest voor het produceren van het voedsel, niet voor niets zijn geweest.

Kweekvlees

De veehouderij legt een zware last op milieu, biodiversiteit, klimaat en gezondheid. Kweekvlees heeft de potentie om een volwaardig alternatief voor vlees te bieden met een veel lagere milieu-impact. Dit komt omdat het veel minder input nodig heeft dan traditioneel geproduceerd vlees. Ook zijn de emissies van industriële processen voor kweekvlees (in potentie) een fractie van de emissie uit stallen, emissies door het uitrijden van mest en door de teelt en het transport van (geïmporteerd) veevoer.

Plantaardige vleesvervangers zijn al heel succesvol in het namaken van vlees en ze worden nog steeds beter, realistischer en lekkerder. Dit zal steeds meer mensen ertoe verleiden om te kiezen voor een vegetarisch alternatief. Maar niet alle consumenten kiezen voor plantaardige vleesvervangers en dat zal naar verwachting ook zo blijven. Kweekvlees heeft de potentie om nóg meer consumenten te laten kiezen voor een alternatief voor dierlijk vlees. Het zal echter nog minimaal een aantal jaar duren voordat kweekvlees op grote schaal verkrijgbaar is tegen een concurrerende prijs. De urgentie van de huidige milieuproblematiek is zo groot, dat we hier niet op kunnen wachten. We moeten dus blijven inzetten op het nú verminderen van de impact van de veehouderij. Kweekvlees kan daar in de toekomst aan bijdragen, maar het mag geen excuus zijn om nu niets te doen. Bovendien is de milieu-impact van kweekvlees waarschijnlijk groter dan die van andere plantaardige vleesvervangers. We verwachten daarom van politiek en bedrijfsleven dat ze vol blijven inzetten op het stimuleren van minder consumptie van dierlijke producten en het promoten van plantaardige alternatieven en een dieet rijk aan groenten en peulvruchten.

Grondstoffen

Circulaire economie

Binnen ons huidige lineaire economische systeem onttrekken we grondstoffen aan de aarde, maken er producten van, en gooien die na verloop van tijd weg. Voor onze aarde is dit een onhoudbaar systeem, zeker bij de huidige bevolkingsgroei. Natuur & Milieu wil dit systeem vervangen door een circulair systeem. Daarin gebruiken we producten langer en zetten we grondstoffen steeds opnieuw in. Producten krijgen een slimmer ontwerp, zodat ze aan het einde van hun levensduur een nieuw leven kunnen beginnen: als product, als onderdeel of als grondstof.

Om een circulaire economie te realiseren zijn nieuwe spelregels nodig:

  • Niet alleen de kosten om grondstoffen te winnen, maar ook de kosten om de milieu-impact van de grondstoffenwinning – indien die niet kan worden voorkomen – op te lossen, moeten worden gereflecteerd in de prijs van producten. Daarom is Natuur & Milieu voor de verschuiving van de belasting op arbeid naar een belasting op milieu-impact, volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’.
  • Producenten krijgen meer verantwoordelijkheid over hun producten. Europese regelgeving moet producenten verplichten om de negatieve impacts die met de consumptie van hun producten samenhangt, op te lossen.
  • De producent blijft zo veel mogelijk eigenaar van producten. Dit maakt het aantrekkelijker om producten te maken die langer meegaan. De consument gaat vooral betalen voor diensten in plaats van producten (zoals voor printjes in plaats van printers, voor verlichting in plaats van lampen, voor een vervoersmogelijkheid in plaats van een auto). Nieuwe financiële en juridische regels zijn nodig om deze overgang mogelijk te maken.
  • Het inkoopbeleid van overheden en bedrijven moet zo worden aangepast dat leveranciers die zuinig met grondstoffen omgaan, voorrang krijgen.
  • Bedrijvigheid moet meer gaan werken als een ecosysteem, waarbij de reststromen van het ene bedrijf, de grondstoffen zijn voor het andere. Om dit mogelijk te maken is ruimtelijk beleid nodig, dat gericht is op het stimuleren en verbeteren van dergelijke ecosystemen.

Plastics

Plastics veroorzaken veel problemen in onze landelijke natuur (zwerfafval), in ons water (microplastics) en in onze oceanen (plastic soup). Anderzijds zijn kunststoffen ook zinvol, voor zover ze bijvoorbeeld voedingsmiddelen langer vers houden of de isolatiewaarde van onze woningen vergroten. Natuur & Milieu neemt over het gebruik van plastics dan ook een genuanceerd standpunt in.

Natuur & Milieu wil het onnodig gebruik van plastic en het gebruik van niet- of slecht recyclebaar plastic (zoals broodverpakkingen met een plastic en papieren laag) afremmen. Daarnaast willen wij de recyclebaarheid en het recycleproces van plastics verbeteren. Wij focussen ons in eerste instantie op alle verpakkingen waarvan de levensduur per definitie beperkt is. Wij werken aan een systeem waarin door de hele keten heen (van producent tot afvalverwerker en recycler) goede afspraken worden gemaakt en nagekomen, en waarin innovatie op het gebied van duurzaamheid door de hele keten heen nut heeft. De eerste stappen op dit gebied zijn gezet met het plastic pact.

Biologisch afbreekbaar plastic

‘Biologisch afbreekbaar plastic’ klinkt als een welkome duurzame innovatie, maar biedt helaas nog niet altijd een duurzame oplossing. Veel plastics die onder de noemer ‘biologisch afbreekbaar’ op de markt komen, zijn in de praktijk uitsluitend onder kunstmatige omstandigheden (hoge druk of temperatuur) werkelijk afbreekbaar. De suggestie dat je deze plastics gewoon in de natuur kan achterlaten is wat ons betreft dan ook verwerpelijk. Deze plastics frustreren het reguliere recyclingproces van plastics, omdat ze vaak ten onrechte bij het plastic afval belanden. Als biologisch afbreekbaar plastic bij het GFT afval belandt, voegt het weinig toe aan de kwaliteit van de compost die daarvan gemaakt wordt. Daarom wil Natuur & Milieu onderzoek naar werkelijk hernieuwbare grondstoffen voor plastics stimuleren. Zo zien wij op langere termijn kansen voor de inzet van algen in de productie van biologisch afbreekbaar verpakkingsmateriaal.

Voor specifieke toepassingen zien wij wel een belangrijke rol voor biologisch afbreekbare plastics. Bijvoorbeeld in het gebruik van landbouwplastics die ondergeploegd kunnen worden. Voor duurzaam gebruik van deze plastics zijn wel duidelijke afspraken nodig, zodat er voor boeren of groenvoorzieners geen misverstanden kunnen ontstaan.

‘Oxo-degradables’ zijn plastics die bewerkt zijn met chemicaliën waardoor ze in de natuur in kleine deeltjes plastic uit elkaar vallen. Ze zijn dan niet meer zichtbaar, maar richten wel enorme ecologische schade aan. Natuur & Milieu vindt dat deze materialen op wereldschaal verboden moeten worden.

Biomassa

Biomassa is een verzamelnaam voor alle materiaal met een biologische of organische herkomst, in de praktijk vooral plantaardig materiaal. Vanwege het hernieuwbare karakter biedt biomassa aan veel sectoren een kans om te verduurzamen. Maar ook biomassa is slechts beperkt duurzaam voorradig. De grootschalige productie van biomassa zal bovendien altijd concurreren met voedselproductie en met de natuur. Natuur & Milieu is voor een benadering waarbij de bodemvruchtbaarheid en bodembescherming van onze natuur de prioriteit krijgen boven het gebruik van biomassa als alternatieve grondstof.

Bij de inzet van biomassa moet de toepassing met de hoogste toegevoegde maatschappelijke waarde het eerst worden benut. Bodemvruchtbaarheid staat bovenaan in deze ‘waardepiramide’, gevolgd door voedsel en medicijnen. Daarna komen gebruiksvoorwerpen en veevoer, en pas daarna chemie, brandstof en energie. De grondstof hout bijvoorbeeld, moet in eerste instantie worden aangewend als plank/meubel, daarna als pallet, daarna als geperst materiaal en pas in laatste instantie, als het niet meer elders nuttig in te zetten is, in chemie of als brandstof.

Duurzame omgang met biomassa vraagt om meer regie vanuit de overheid. Meer informatie hierover vind je in onze visie biomassa.

Elektrische apparaten

Elektrische apparaten zijn een bijzondere categorie consumentengoederen als het om duurzaamheid gaat. Ze hebben een grote milieu-impact, waarbij consumentengedrag enorm veel verschil kan maken. Natuur & Milieu streeft ernaar om de consument te verleiden tot het betalen voor het gebruik in plaats van het bezit van apparaten, en om apparaten meer met elkaar te delen. Vooral bij apparaten die je niet vaak gebruikt (gereedschap bijvoorbeeld) is dit slechts een kleine, logische stap. Daarnaast willen wij de optimale levensduur en de feitelijke levensduur van apparaten dichter bij elkaar te brengen (nu gaan producten vaak veel te snel kapot). Een betere repareerbaarheid, een verbreed energielabel en ‘product-as-a service’ verdienmodellen gaan hierbij helpen.

Statiegeld

Natuur & Milieu is groot voorstander van statiegeld. Statiegeld leunt op het principe ‘de vervuiler betaalt’: fabrikanten die producten in wegwerpverpakkingen aanbieden en consumenten die verpakkingen weggooien betalen samen voor de oplossing. Door statiegeld loont het letterlijk om je lege verpakkingen naar de daarvoor bestemde plek te brengen. Het systeem is wel nog verder te verbeteren. Zo kunnen we supermarkten toestaan om PET-flessen al in de winkel te versnipperen, zodat het minder winkelruimte kost.

In landen met statiegeld voor kleine flesjes en blikjes vind je veel minder flesjes en blikjes in het zwerfvuil dan bij ons. Als een statiegeldsysteem voor meer waardevolle stromen gaat gelden, zijn de kosten te verdelen over meerdere materialen en wordt het systeem bovendien kostenefficiënter. Daarom is Natuur & Milieu voor invoering van statiegeld op blikjes.