Waterkwaliteit wordt bepaald aan de hand van verschillende parameters. Geen enkele meting vertelt het hele verhaal. Pas door chemische, fysische en biologische gegevens te combineren ontstaat een compleet beeld van hoe gezond een waterlichaam is.
Chemische parameters laten zien welke stoffen in het water aanwezig zijn, zoals stikstof, fosfaat of bestrijdingsmiddelen. Fysische parameters gaan over temperatuur, doorstroming, helderheid en zuurstof. Biologische parameters kijken naar het leven in het water: planten, dieren en micro-organismen.
Samen geven deze waarden inzicht in de waterkwaliteit en in veranderingen door seizoenen, vervuiling of herstelmaatregelen. Er zijn drie hoofdmethodes om waterkwaliteit te meten.
- Veldmetingen met sensoren
Sensoren meten ter plekke basiswaarden zoals temperatuur, pH, zuurstofgehalte, geleidbaarheid en troebelheid. Moderne sensoren verzamelen continu data, waardoor veranderingen snel zichtbaar worden.
- Laboratoriumanalyses
Watermonsters worden in het lab geanalyseerd op stoffen zoals stikstof, fosfaat, zware metalen en pesticiden. Deze wateranalyses geven inzicht in vervuiling door landbouw, riool of industrie.
- Ecologische en microbiologische metingen
Onderzoekers kijken naar waterplanten, vissen en macrofauna. Een gevarieerde soortenrijkdom wijst op goede waterkwaliteit. Ook worden bacteriën zoals E. coli gemeten in zwem- en drinkwater.
In samenwerking met NIOO KNAW ontwikkelde Natuur & Milieu de dataviewer Waterkwaliteit waarin je de kwaliteit van water in jouw omgeving nauwkeurig kunt zien.